bezittelijk voornaamwoord voor klas 1: mijn-jouw-zijn-haar



Is dat jouw huis ?
C'est maison ?

Waar is haar broer ?
Où est frère ?

Mijn boeken liggen op de tafel
livres sont sur la table.

Dat is zijn moeder
Voilà mère.

Zijn dat jouw leraren ?
Ce sont profs ?

Ik zie mijn fiets niet.
Je ne vois pas vélo.

Dat is haar school.
C'est école

Mijn kamer is groot
chambre est grande.

Haar ouders zijn aardig
parents sont sympas

Is dat jouw mobieltje ?
C'est portable ?

Zijn schoenen zijn duur.
chaussures sont chères.